Over de schoonheid van het Julianapark in juni, met damhertje.

Ieder jaargetijde heeft zijn bekoring. Maar een park in juni met een pasgeboren damhertje is een groot artikel in het Utrechts Nieuwsblad waard. Dit plaatste de redactie op 19 juni 1965:

Heesters in bloei; veel jonge dieren

JULIANAPARK is in juni
mooier dan ooit

Jongens halen veel vogelnestjes uit

(Van een onzer verslaggevers)

julianapark b

Zwarte en witte zwanen kun je niet samen in een vijver doen. Trouwens twee paar zwarte zwanen kan ook niet. Want zwarte zwanen dulden niets en niemand in hun omgeving. Het zijn eigenlijk onuitstaanbare dieren.

In het Utrechtse Julianapark hebben ze ervaring met zwarte zwanen. Ze hebben er twee paartjes, waarvan er één voortdurend kinderen krijgt. Dat paartje legt de plantsoenendienst geen windeieren. Want zwarte zwanen zijn geld waard. Een koppeltje komt zo’n drie à vierhonderd gulden, het veelvoud van wat een gewoon paartje witte zwanen opbrengt.

Overigens worden de jonge zwarte zwanen van het Julianapark niet verkocht, maar geruild. „We kunnen hier altijd wel dieren gebruiken”, zegt de heer S. Renes van de plantsoenendienst, die al acht jaar in het Julianapark werkt.

„Die zwarte zwanen vormen een prima ruilobject.”

Als je Julianapark zegt dan zeg je Renes. Want Renes IS het Julianapark. Hij kent elk boompje, elke struik. Hij weet precies hoeveel voorntjes er in de vijver bij de flamingo’s zitten! Hij kan u vertellen waar de groenling (een vogeltje) broedt. Hij vindt dat hij „ontzettend leuk werk” heeft; hij vindt ook, dat het publiek zich niet altijd even goed gedraagt. „U kunt er gerust van op aan dat elk jaar twee à drie damherten sterven na het eten van plastic zakjes. De mensen doen maar, ze geven die beesten van alles.”

 

Julianapark e

 

De heer Renes bij het Edelweiss

Plastic zakjes contra herten

De heer Renes heeft ook weinig waardering voor het gedrag van veel kwajongens. „Er broeden hier heel veel vogels, maar verhoudingsgewijs blijft er maar bitter weinig van over. ’t Is verschrikkelijk hoeveel nestjes hier uitgehaald worden. Een kunst is dat niet. Om negen uur ’s avonds gaat het park dicht, maar het is heel simpel om daarna toch binnen te komen en je slag te slaan. Er worden trouwens niet alleen nestjes uitgehaald, maar ook dieren gestolen.”

Niet alleen mensen, maar ook dieren richten schade aan in het park. „Het wemelt hier van de verwilderde katten. Ware rovers ztjn dat. Gisteren heb ik nog zo’n kattennest gevonden.”

Utrecht kan trots zijn op zijn Julianapark, dat negen hectare grote dorado van rust in de wijk Zuilen. Net zo trots als de heer J.C. de Moree, chef van de kwekerij van de plantsoenendienst. Bij hem worden de planten, bomen en struiken gekweekt, die het park tot ver buiten Utrecht bekend hebben gemaakt.

Julianapark d

Een jonge uil op de hand van de heer Benes.

Maar het gewone publiek komt niet speciaal voor de flora, doch voor fauna, voor de herten, de papegaaien, de Lunenberger geiten, de kraanvogels, de ganzen, de Japanse hoenders, de Drentse heideschapen.

Het komt ook om zo maar wat te wandelen, om uit te rusten op één van de ontelbaar vele banken of om de spieren een beetje los te maken op de grote speelweide.

De heer Renes telt het aantal bezoekers niet. Maar hij weet wel dat het er veel zijn. „Als ik er een gooi naar mag doen: gemiddeld zo’n duizend per dag het hele jaar door”.

En veel van die mensen komen op hun wandeling langs wat weinig opvallende bloemetjes. Op een even simpel bordje staat de Latijnse naam leontopodium alpinum en dat wil zeggen: edelweiss.

Wijze uilen

Edelweiss in een Utrechts park. Het is slechts één van de vele soorten uitheemse bloemen, waar de liefhebbers zo graag naar komen kijken. Bruidsparen daarentegen geven in de lente de voorkeur aan de duizenden narcissen en blauwe druifjes, die het zo goed „doen” als achtergrond op de bruidsfoto.

Bescheidener dan de brutale narcissen zijn de schaduwplanten, die gedijen op plaatsen waar geen gras wil groeien. Planten met mooie vreemde namen zoals maagdenpalm en lieve vrouwenbedstro.

Langs de moerascypres en de larix (buitenbeentjes in de coniferenfamilie, omdat hun naaldjes in het najaar uitvallen), langs de eiken, kastanjes en plantanen, langs de heesters (die op ’t moment hevig bloeien) naar de dieren. Onverwachts sta je oog in oog met de papegaaien, grappenmakers, die proberen de knopen van de jas te bijten.

Mooier, ontroerender dan die papagaaie-ogen zijn de ogen van de damherten. Vooral van het pasgeboren hertje, dat ergens tussen de „rotsen” wacht op zijn moeder. De heer Renes gaat op het diertje af. Het hertje verroert zich niet. Vanaf het grasveld kijken de grote herten naar hem.

Er zijn meer jonge dieren in het park. Twee uilen bijvoorbeeld, die er ondanks hun jeugd al zeer wijs uitzien, waar ze vandaan komen weet de heer Renes niet. Een paar weken geleden zijn ze bij het park afgegeven.

Ze zijn nog zo jong, dat ze nog niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarom moeten ze voorlopig in een hok zitten. Maar als ze groot zijn krijgen ze hun vrijheid terug.

Julianapark f

Een twee dagen oud damhertje tussen de „rotsen” van het Julianapark.

 

Facebook reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge