1200 jaar Zuilen werd gevierd(!) in 1950.

Maar het is dan ook nogal wat: 1200 jaar bestaan van een gemeente. Dat zijn er niet zo heel veel hoor. Vandaar de aandacht in het Utrechts Nieuwsblad van 20 juni 1950. Het werd dan ook een programma dat er zijn mocht!

Programma Zuilens 12e Eeuwfeest

Aan de eigenlijke feestweek in Zuilen (van 1-8 Juli) is een voorspel verbonden, want op Zaterdag 24 Juni wordt de wielerronde van Zuilen verreden, georganiseerd door de U.W.C. “De Volharding”. Er is tevens een verbonden een race op transportrijwielen, een nieuwigheid voor Zuilen.

Dan is er op 29 Juni het bezoek van het Engelse Politie Muziekgezelschap uit Engeland. Dit gezelschap zal des avonds ongeveer 7 uur in Zuilen arriveren en daar worden verwelkomd, o.m. door het Zuilense Fanfarecorps. Na de begroeting zullen beide corpsen, onder het spelen van pittige marsen, optrekken naar de tuin van het gemeentehuis. Daar zullen de Engelse politiemannen kennis maken met hun z.g. pleegouders. In de tuin van het gemeentehuis wordt vervolgens een concert gegeven, waarbij beurteling zal worden opgetreden.

De inzet van de herdenking zal plaats hebben op Zaterdag 1 Juli, des morgens elf uur, in het Juliana-Restaurant. Daar zal Burgemeester O. Norbruis een rede houden en de feestweek openen. Te half drie wordt door het Zuilense Fanfarecorps een concert gegeven in de tuin van het gemeentehuis. In de omgeving van het gemeentehuis zal zich te drie uur opstellen een grote optocht, die te half vier zal starten voor een rondgang door de gemeente, begeleid door het Engelse Politie Muziekgezelschap en het Zuilense Fanfarecorps. Onderwijl zal, aanvangende half 3, een viswedstrijd in het Merwedekanaal worden gehouden. Na de optocht en hengelwedstrijd gymnastiekuitvoering door Sport Vereent in het Julianapark, aanvangende half zes. Te acht uur wordt in hetzelfde park weer een concert gegeven. Tot slot vuurwerk.

1200 jaar

De deelnemers aan het toneelspel kregen als herinnering een tegeltje.

Iedereen lijkt Nederland (en Zuilen) te verlaten: men emigreert

Zoals dat het: schering en inslag lijkt het wel. ‘Men’ vond Nederland te vol en emigreert. Men koos vaak voor een toekomst in Canada, Australië, Nieuw Zeeland enz.

Hoe het onze Nederlanders daar verging komt dan met enige regelmaat in de krant. Zo ook dit artikel dat in het Utrechts Nieuwsblad van 23 juni 1962 geplaatst werd.

Emigrant uit Utrecht zegt :

Bouwen is in Australië anders en makkelijker

In 1952 emigreerde de Utrechter Johannes van de Velden met zijn gezin naar Brisbane in Australië, waar hij nu als timmerman werkt. En met succes: het is hem zo meegelopen dat hij een auto heeft gekocht en een eigen huis heeft gebouwd. Zijn gezin bestaat uit zijn vrouw Jannetje van de Velden-van den Boogaard, de jongens Johannes en Ronald en het meisje Johanna. Zij hebben gewoond in de Koppestokstraat 18 in Utrecht.

koppestokstraat

 

De heer Van de Velden werkte in Utrecht voor het aannemingsbedrijf Krap. Hij kwam naar Australië om te werken bij een bouwmaatschappij die een contract had om 300 woningen te bouwen in Brisbane. In zijn vrije tijd bouwde de heer Van de Velden zijn eigen huis met, drie slaapkamers. Het kostte hem twee jaar werk en 1.700 Australische ponden, maar de handelswaarde van het huis is 3.500 pond.

Zijn dochter is modiste in Brisbane, zoon Ronald bezoekt de school nog en zoon Johannes is bij de Australische marine waar hij de bijnaam van „een handige jongen” kreeg. De heer en mevrouw Van de Velden kregen in 1958 de Australische nationaliteit.

De heer Van de Velden, die had gehoopt dat zijn oudste zoon hem in het bouwbedrijf zou volgen, zei dat het bouwen in Australië heel anders is dan in Nederland en veel gemakkelijker. Het klimaat zorgt voor gunstiger arbeidsomstandigheden en het is voor de heer Van de Velden nooit moeilijk geweest werk te vinden.

Het klimaat vindt de familie heerlijk. Negen maanden van het jaar kan men er in shorts werken. Mevrouw Van de Velden vindt dat zij financieel gezien in Australië beter af is. Wij hebben hier meer bereikt dan wij in Holland hadden gekund, is haar mening.

 

Met dank aan de Jeep van de Zuilense politie …

Na de Tweede Wereldoorlog beschikte de poltie van Zuilen over een Jeep. Die kwam goed van pas, zo blijkt uit dit arttikel in het Utrechts Nieuwsblad van 22 juni 1948:

ALS IN EEN FILM…

Motorrijder zwom over de Vecht

Bij meer of minder belangrijke motorsport-evenementen geven vele deelnemers er de voorkeur aan, langs de Vecht naar huis terug te rijden, in plaats van zich te begeven langs de drukke Amsterdamsestraatweg. Nu is daar geruime tijd geleden een dodelijk ongeval gebeurd, en daar deze dagen de Utr. Prov. Motorclub een betrouwbaarheidsrit had gehouden, en vele motorrijders waarschijnlijk de stille weg zouden verkiezen, had de politie te Zuilen ’t nuttig geoordeeld, extra toezicht uit te oefenen. De jeep van de politie was present en alles verliep aanvankelijk naar wens.

Tot plots in de verte ’n motorrijder naderde, die zig-zag over de weg slingerde, daardoor gevaar opleverde voor het overige verkeer en bovendien voor zichzelf, want enkele malen naderde hij bedenkelijk de waterkant. De politie er natuurlijk op af, maar toen de motorrijder de agent zag naderen, liet hij zijn voertuig in de steek, wrong zich door 1 meter brede doornhaag en verdween in ’t korenveld. Nu was de haag geen bezwaar voor de politieman, hij werkte zich er evenzo door- of overheen, doch in het korenveld kon hij de man niet ontdekken. Doch ook deze moeilijkheid werd opgelost, want de snelle jeep had spoedig assistentie gehaald, ’t korenveld werd omsingeld en een soort klopjacht begon. Op flinke afstand van zijn achtervolgers kwam de man plotseling tevoorschijn, rende naar de Vechtoever, sprong te water en zwom naar de overzijde. Ook dit behoefde voor de politiemannen geen bezwaar te zijn, want zwemmen kunnen ze als de beste, maar wel was het nutteloos. Immers: de achtervolgde had een flinke voorsprong en kon zich gemakkelijk aan het oog onttrekken, en bovendien was er nog de motorfiets, die wel voldoende inlichtingen zou verschaffen omtrent de identiteit van de bestuurder. Dus terug naar de doornen haag. Toen men in de nabijheid kwam, zag men juist iemand op de motor in de verte verdwijnen… Men stond nu voor raadselen. Had de achtervolgde man het voertuig gestolen? Heeft hij een handlanger gehad, die nu de motor in veiligheid bracht, of had deze de onbeheerd staande motor maar meegenomen?… Men wist het op dat moment niet, maar er zijn voldoende aanwijzingen om te verwachten, dat de ten koste van een nat pak verkregen of liever behouden vrijheid van de vluchteling zal van korte duur zijn, dat hij spoedig zal worden aangehouden en zich dan voor zijn vreemdsoortig optreden zal hebben te verantwoorden, evenals zijn vermoedelijke handlanger.

Jeep

 

‘… De jeep van de politie was present …’

 

Over de brand bij de borstelfabriek Gebrs Jonker in Zuilen

De borstelfabriek van de Gebrs. Jonker bestond uit vele loodsen. De houten loodsen en het vele hout en vezels voor het maken van borstels, daar zijn de vlammen snel mee klaar. In het Utrechtsch Nieuwsblad van 21 juni 1940 lezen we erover:

Borstelfabriek te Zuilen in brand

(van onzen correspondent)

Zuilen, 21 Juni. – Gistermiddag om 4 uur brak brand uit in een der groote loodsen van de Borstelfabriek der firma Gebr. Jonker alhier.

De oorzaak moet naar alle waarschijnlijkheid worden gezocht in het spelen met vuur door kinderen. Op dezelfde plaats, die aan den openbaren weg is gelegen, is meerdere malen een begin van brand ontstaan[1] om een en ander in de kiem te smoren.

Deze keer echter laaiden de vlammen in een oogenblik in alle hevigheid op, en ontstond binnen enkele minuten een vuurzee die het ergste deed vreezen.

 

De gedeeltelijk uit hout opgetrokken, en geteerde loods, gevuld met zeer brandbaar materiaal zooals vezelstoffen, brandde in een oogwenk als een fakkel, aangewakkerd door de langdurige droogte en de krachtige Oostenwind.

Er was groot alarm gegeven, en binnen zeer korten tijd bestreed de Zuilensche brandweer het vuur met een groot aantal stralen.

Men zag echter al spoedig in dat het lange gebouw niet behouden zou kunnen blijven, en ging er toe over in het midden van de loods een watergordijn te plaatsen. Door deze verstandige maatregel wist men het vuur te beperken. Niettemin gingen wel veel grondstoffen verloren en brandde het onbeschermde gedeelte tot de grond toe af.

Vele gemeente autoriteiten waren ter plaatse, waarvan wij het eerst den gemeentesecretaris, den heer A.J. van der Weerd opmerkten.

Binnen een half uur had men kans gezien, deze brand, die zich in den beginne zeer ernstig liet aanzien, te bedwingen.

Borstelfabriek

Geluk bij een ongeluk: de Vrijwillige Brandweer Zuilen zat ‘om de hoek’. 

[1] In de krantentekst ontbreekt een regel, vermoedelijk: maar het is de brandweer steeds gelukt …

 

 

Over de taart voor de familie Laaper uit de F. Koolhovenstraat

Dat kom je ook maar zelden tegen: een taart die vanuit Canada wordt besteld en hier in Zuilen door de familie Laaper wordt opgegeten. Het Utrechts Nieuwsblad van 20 juni 1957 schreef erover.

Taart

DE bakker van de familie B.A. Laaper, Frits Koolhovenstraat 43 in de wijk Mariëndaal te Utrecht, leverde vanochtend een taart van formaat af; een halve vierkante meter vruchten en room. Het is het geschenk van een naar Canada geëmigreerde zoon, die dacht: „Kom, laat ik mijn vader bij zijn vijftigste verjaardag eens een gebakje sturen”. De zoon bestelde en de bakker begon aan de opdracht, die een hele dag werk zou gaan vergen. Van 90 eieren, 4 kilo suiker, 2 kilo bloem, 2 kilo boter, 1 kilo marsepein, 1 kilo fondant, 2 kilo abrikozen, de inhoud van 5 blik vruchten en 1 liter slagroom componeerde hij een droom van een taart. De familie Laaper zal er, ondanks het totale gewicht van 18 kilo, best raad mee weten, want smullers zijn er in dit gezin genoeg. Men telt dertien kinderen, waarvan een — de taartschenker — in Canada en twee in militaire dienst. Maar met behulp van toekomstige familieleden, die alvast de feesten in de Koolhovenstraat meevieren, zal men graag de strijd tegen de van 50 kaarsjes voorziene tien centimeter hoge monstertaart aanbinden. De slagroom zal — dat geven de blijde gezichten wel aan — hier geen kans krijgen zuur te worden.

Over de schoonheid van het Julianapark in juni, met damhertje.

Ieder jaargetijde heeft zijn bekoring. Maar een park in juni met een pasgeboren damhertje is een groot artikel in het Utrechts Nieuwsblad waard. Dit plaatste de redactie op 19 juni 1965:

Heesters in bloei; veel jonge dieren

JULIANAPARK is in juni
mooier dan ooit

Jongens halen veel vogelnestjes uit

(Van een onzer verslaggevers)

julianapark b

Zwarte en witte zwanen kun je niet samen in een vijver doen. Trouwens twee paar zwarte zwanen kan ook niet. Want zwarte zwanen dulden niets en niemand in hun omgeving. Het zijn eigenlijk onuitstaanbare dieren.

In het Utrechtse Julianapark hebben ze ervaring met zwarte zwanen. Ze hebben er twee paartjes, waarvan er één voortdurend kinderen krijgt. Dat paartje legt de plantsoenendienst geen windeieren. Want zwarte zwanen zijn geld waard. Een koppeltje komt zo’n drie à vierhonderd gulden, het veelvoud van wat een gewoon paartje witte zwanen opbrengt.

Overigens worden de jonge zwarte zwanen van het Julianapark niet verkocht, maar geruild. „We kunnen hier altijd wel dieren gebruiken”, zegt de heer S. Renes van de plantsoenendienst, die al acht jaar in het Julianapark werkt.

„Die zwarte zwanen vormen een prima ruilobject.”

Als je Julianapark zegt dan zeg je Renes. Want Renes IS het Julianapark. Hij kent elk boompje, elke struik. Hij weet precies hoeveel voorntjes er in de vijver bij de flamingo’s zitten! Hij kan u vertellen waar de groenling (een vogeltje) broedt. Hij vindt dat hij „ontzettend leuk werk” heeft; hij vindt ook, dat het publiek zich niet altijd even goed gedraagt. „U kunt er gerust van op aan dat elk jaar twee à drie damherten sterven na het eten van plastic zakjes. De mensen doen maar, ze geven die beesten van alles.”

 

Julianapark e

 

De heer Renes bij het Edelweiss

Plastic zakjes contra herten

De heer Renes heeft ook weinig waardering voor het gedrag van veel kwajongens. „Er broeden hier heel veel vogels, maar verhoudingsgewijs blijft er maar bitter weinig van over. ’t Is verschrikkelijk hoeveel nestjes hier uitgehaald worden. Een kunst is dat niet. Om negen uur ’s avonds gaat het park dicht, maar het is heel simpel om daarna toch binnen te komen en je slag te slaan. Er worden trouwens niet alleen nestjes uitgehaald, maar ook dieren gestolen.”

Niet alleen mensen, maar ook dieren richten schade aan in het park. „Het wemelt hier van de verwilderde katten. Ware rovers ztjn dat. Gisteren heb ik nog zo’n kattennest gevonden.”

Utrecht kan trots zijn op zijn Julianapark, dat negen hectare grote dorado van rust in de wijk Zuilen. Net zo trots als de heer J.C. de Moree, chef van de kwekerij van de plantsoenendienst. Bij hem worden de planten, bomen en struiken gekweekt, die het park tot ver buiten Utrecht bekend hebben gemaakt.

Julianapark d

Een jonge uil op de hand van de heer Benes.

Maar het gewone publiek komt niet speciaal voor de flora, doch voor fauna, voor de herten, de papegaaien, de Lunenberger geiten, de kraanvogels, de ganzen, de Japanse hoenders, de Drentse heideschapen.

Het komt ook om zo maar wat te wandelen, om uit te rusten op één van de ontelbaar vele banken of om de spieren een beetje los te maken op de grote speelweide.

De heer Renes telt het aantal bezoekers niet. Maar hij weet wel dat het er veel zijn. „Als ik er een gooi naar mag doen: gemiddeld zo’n duizend per dag het hele jaar door”.

En veel van die mensen komen op hun wandeling langs wat weinig opvallende bloemetjes. Op een even simpel bordje staat de Latijnse naam leontopodium alpinum en dat wil zeggen: edelweiss.

Wijze uilen

Edelweiss in een Utrechts park. Het is slechts één van de vele soorten uitheemse bloemen, waar de liefhebbers zo graag naar komen kijken. Bruidsparen daarentegen geven in de lente de voorkeur aan de duizenden narcissen en blauwe druifjes, die het zo goed „doen” als achtergrond op de bruidsfoto.

Bescheidener dan de brutale narcissen zijn de schaduwplanten, die gedijen op plaatsen waar geen gras wil groeien. Planten met mooie vreemde namen zoals maagdenpalm en lieve vrouwenbedstro.

Langs de moerascypres en de larix (buitenbeentjes in de coniferenfamilie, omdat hun naaldjes in het najaar uitvallen), langs de eiken, kastanjes en plantanen, langs de heesters (die op ’t moment hevig bloeien) naar de dieren. Onverwachts sta je oog in oog met de papegaaien, grappenmakers, die proberen de knopen van de jas te bijten.

Mooier, ontroerender dan die papagaaie-ogen zijn de ogen van de damherten. Vooral van het pasgeboren hertje, dat ergens tussen de „rotsen” wacht op zijn moeder. De heer Renes gaat op het diertje af. Het hertje verroert zich niet. Vanaf het grasveld kijken de grote herten naar hem.

Er zijn meer jonge dieren in het park. Twee uilen bijvoorbeeld, die er ondanks hun jeugd al zeer wijs uitzien, waar ze vandaan komen weet de heer Renes niet. Een paar weken geleden zijn ze bij het park afgegeven.

Ze zijn nog zo jong, dat ze nog niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarom moeten ze voorlopig in een hok zitten. Maar als ze groot zijn krijgen ze hun vrijheid terug.

Julianapark f

Een twee dagen oud damhertje tussen de „rotsen” van het Julianapark.

 

Oud Nieuws uit Zuilen, over colportage-ellende

Colportage, het lijkt iets minder vaak voor te komen, de regelgeving is aangesscherpt. Dat het overlast kon geven blijkt wel uit dit knipsel uit het Utrechts Nieuwsblad van 18 juni 1963:

Colporteurs van Duits modeblad staan terecht

„Stuur provisie of ik verkoop auto”

Voorwaardelijke straf en vrijspraak geëist

„Ik heb de Duitse uitgeversfirma waarvoor ik als rayonleider in Nederland werkte twee maal gewaarschuwd dat ze over de brug moesten komen met het geld dat ze ons schuldig waren, want dat ik anders de auto waarover ik de beschikking had zou verkopen. Aan achterstallige provisie hadden mijn jongens een vordering van ƒ 4500 en. daarnaast had ik een privévordering van ƒ 1200 a ƒ 1300.”

Zo ongeveer luidde het verweer van de 37-jarige vertegenwoordiger L. D. uit Utrecht, die maandagmiddag voor de Utrechtse rechtbank terechtstond, verdacht van verduistering van ’n auto, gepleegd in dienstbetrekking. D. is een van de twaalf verdachten voor wie de rechtbank de eerste helft van deze week heeft uitgetrokken en die voor velerlei strafbare feiten terechtstaan.

’s Ochtends had hij zich moeten verantwoorden voor zijn aandeel in inbraken in garages in Zeist en Barneveld; maandagmiddag ging het om een auto, die D. op tamelijk mistige basis ter beschikking had gekregen van Heinrich Bauer Verlag in Aken en die tenslotte voor ƒ 3000 wederrechtelijk verkocht werd, omdat de Duitse firma de provisie die D. en zijn medewerkers verdiend meenden te hebben met het werven van Nederlandse abonnees niet afrekende.

De officier van justitie mr. W.J. Kolkert eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met 3 jaar proeftijd en ondertoezichtstelling van de protestant christelijke reclassering.

De 25-jarige Utrechtse colporteur H. K. die terecht stond wegens medeplichtigheid aan de heling subsidiair heling, had als tussenpersoon de verkochte auto afgeleverd. Van de ƒ 3000 die hij ontving, kreeg hij van D. ƒ 800: ƒ 540 omdat hij dat bedrag aan provisie tegoed had en ƒ 260 ter uitbetaling aan collega-colporteurs. De officier van justitie constateerde dat verdachte strafrechtelijke en civielrechtelijke verantwoordelijkheid door elkaar gehaald had. Hij achtte noch medeplichtigheid aan verduistering noch heling bewezen en vorderde vrijspraak.

Dezelfde verdachte stond vervolgens samen met de 23-jarige monteur A.A.S. W. terecht. Ze hadden in februari ingebroken in ’n woning in de Jan Haringstraat in Utrecht en ƒ 105 meegenomen. Allebei gaven ze geldgebrek op als reden voor de inbraak. De reclasseringsrapporten waren gunstig; mede in verband daarmee vroeg de officier 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaar. Voor W. vroeg hij daarbij ondertoezichtstelling van de katholieke reclasseringsvereniging. Bovendien eiste hij tegen ieder ƒ 300 boete subsidiair 3 maanden hechtenis.

De president mr. J. Gijssen zal 1 juli uitspraak doen.

Utrechts Nieuwsblad 1 juli 1963 [bij 18 juni 1963]

… De 25-jarige H. K. en de 27-jarige W. werden conform de eis van de eerste tenlastelegging vrijgesproken, voor het tweede feit werden zij ieder veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een boete van 200 gulden.

Openbare Lagere School I, de Koningin Emmaschool

Lager onderwijs werd in het dorp (oud)Zuilen gegeven op de openbare school. Met de groei van Zuilen kwamen er veel meer openbare scholen. Het werden er zes. In het begin kregen ze een nummer, Later werden de scholen vernoemd naar leden van het Koninklijk Huis. De oudste werd toen de ‘Koningin Emmaschool’. Deze school bestond op 17 juni 1947 zestig jaar. Daarover stond dit bericht in het Utrechts Nieuwsblad.

School no. 1 bestaat zestig jaar

De openbare lagere school no. 1 te Oud-Zuilen bestaat 17 Juni a.s. zestig jaar. Toen in October 1878 de heer mr. Willem Rene Baron van Tuyll van Serooskerken was overleden, werd zijn echtgenote, Jonkvrouwe Françoise Margaretha van Weede, Ambachtsvrouwe van Zuylen en Westbroek. Zij schonk een stuk grond, om daarop een nieuwe school te bouwen. Wel bestond er reeds een inrichting van onderwijs, benevens een a.g. “Meesterhuis”, doch een en ander was zeer primitief en vroeg om verbetering. Spoedig na de schenking volgde de aanbesteding, waarbij de inschrijvingen bleven beneden de f 15.000.

Zuilen bestond toen uit ongeveer 500 inwoners. Het eigenaardige bij de geweldige uitbreiding van Zuilen is geweest, dat de uitbouw niet begon vanuit de kom van het dorp, doch vanuit Utrecht. Daardoor bleef Zuilen, dat nu niet ten onrechte Oud-Zuilen wordt genoemd, geïsoleerd en zal dit nog wel lang blijven. Wel gaat de uitbouw meer en meer in de richting van het oude dorp, maar het is niet te verwachten, dat het nog eens bereikt zal worden. Veel vooruitzicht is er dan ook voor Oud-Zuilen niet.

Het ligt in de bedoeling, dit 60-jarig bestaan niet geheel onopgemerkt te laten voorbijgaan. Er is een beroep gedaan op de oud-leerlingen en andere belangstellenden, om aan het hoofd der school, de heer J.C. Kreugel, een feestgave te doen toekomen, waarna nadere plannen ter herdenking zullen worden bekend gemaakt.

Openbare school I

Zonder woorden…

Over de familie Hoogenboom die naar Australië vertrok…

In de jaren vijftig en zestig gingen heel veel landgenoten hun geluk elder beproeven. Zij vonden ons land vaak te vol geworden. Maar een hele familie? Zo haalde de familie Hoogenboom de krant wel natuurlijk. Hierover schreef het Utrechts Nieuwsblad van 16 juni 1956:

UTRECHTERS ALS EMIGRANTEN

Hoogenboom-familie pakte het grootscheeps aan

(Van onze correspondent in Australië)

Hoogenboom

Het viel niet mee om de Hoogenboom-familie bijeen te krijgen om een foto te nemen. Ik moest er zelfs de scheepsomroep voor gebruiken. Want terwijl de diverse „vaders Hoogenboom” in de rij stonden om alle officiële plichten jegens douane- en immigratie-autoriteiten te vervullen, hingen andere leden der familie over de reling om de Sydney-groep van de Hoogenbomen te begroeten. Maar op bijgaande foto ziet u toch de Utrechtse groep op het dek van de „Johan van Oldebarnevelt” verenigd.

Twintig „man” sterk geëmigreerd

„Ja, we besloten maar te emigreren”, vertelt mij de „pater familias” der familie, de heer N. Hoogenboom.

In dat „we” zijn vier gezinnen inbegrepen.

Daar waren dan allereerst grootouders Hoogenboom uit de Adelboldstraat 11 in Utrecht. Hun gezinszorg strekt zich nog uit over een zoon van negen en vijf dochters in leeftijd variërend van acht tot eenentwintig. Hoogenboom zelf was timmerman, doch meende in dat groeiend Australië betere kansen te hebben.

Natuurlijk emigreerde hij voornamelijk voor de kinderen. Dan was er de 33-jarige Pieter Hoogenboom uit de Corn. Dirkszstraat 41 in Utrecht. Hij heeft behalve zijn echtgenote ook een dochtertje en twee zoons; de oudste zoon is 15. Hij was stoffeerder en hoopt in Australië weer op de stoel te komen.

Adrianus Hoogenboom, 31 jaar woonde in de Linnaeusstraat 34, bracht mét vrouw, ook twee kinderen mee. Hij volgde vaders voetsporen wat het beroep betreft, evenals de 26-jarige Wilhelmus Hoogenboom, die met vrouw en dochtertje de woning aan de Adelbolstraat 11 had verlaten om zich bij de familie te voegen.

Met z’n allen naar ’t kamp

Neen, een huis was er niet gereed voor hen; hoe zou dat ook kunnen. Je moet in Australië al blij zijn indien je ergens een kamer op de kop kunt tikken.

En daar kan geen familie van twintig in.

Kamp Scheyville, op 60 km afstand van Sydney, bracht de oplossing.

„Het zal hier best gaan”, sprak grootvader Hoogenboom, die de leiding had bij het embarkeren.

„We hebben in elk geval een dak boven ons hoofd”, sprak hij monter. De familie vulde bijna de hele autobus en het was een toer om alle bagage bijeen te houden. Doch met zoveel beschikbare handen was het licht werk en de vrouwen konden op de kleuters letten.

„Hoogenhoom-wijk”

In Scheyville-kamp bezetten ze een „Hoogenbomen-wijk”.

„Gunst nog toe, het viel me hier niks mee toen we pas aankwamen”, erkent grootmoeder Hoogenboom. „Maar weet u, de kinderen zijn direct aan het werk gegaan, maakten de hutten flink schoon en richtten die zo gezellig mogelijk in. En nu is het hier best uit te houden”, zegt ze tevreden.

Nu ja, ze wil uiteraard zo gauw mogelijk uit het kamp zien te komen, maar met zo’n hele sleep bij je, is de oplossing daarvoor niet ineens gevonden.

Doch er zijn genoeg leden der familie die een hamer weten te gebruiken en dan is in Australië dè oplossing: je eigen huis bouwen.

In Hoogenbomen-wijk domineert de Nederlandse taal, ondanks de Polen, Slowaken, Italianen en een tiental andere nationaliteiten die in het kamp zijn.

Over de proviandering behoeft men zich geen zorgen te maken, daar zorgt de grote keuken voor.

Met het werk was het al dadelijk in orde; drie man begonnen in het nabij gelegen Richmond als timmerlieden en het loon is zeer behoorlijk. Er zijn enkele meisjes die op een atelier aan de slag kunnen, zodat het totale inkomen ruimschoots, dat van de kosten dekt!

Dochter ging vóór

Overigens was deze twintig koppen sterke Hoogenboom-familie de dochter T. Werle-Hoogenboom naar deze zijde van de evenaar gevolgd. Want zij was enkele jaren eerder uit de Busken Huetstraat 10 in Utrecht naar Australië getogen, waar Werle als elektrisch lasser nu werkzaam is.

Zij wonen nu in het mooie kustgebied van Ettalong, waar ’s zomers vakantiegangers uit Sydney en het achterland de pensions en stranden vullen.

Dat zij hun familie geen onderdak kon verlenen is te begrijpen.

Werle had geboft, want dank zij een Utrechtse familie had hij bij aankomst in dit land reeds de beschikking over een huis, zodat het kamp in elk geval aan hen bespaard bleef. Het waren mede zijn enthousiaste brieven, die de hele verdere familie de grote oversteek deed ondernemen. Dat versterkt de Nederlandse gelederen hier!

Papegaaien in het Julianapark, een heel laantje vol!

In het Julianapark zijn in de loop der jaren heel wat dieren gekomen en gegaan. Zo ook de Papegaaien. Er was een heel ‘Papegaaienlaantje’, maar dat mag allemaal niet meer. Dat ze wél voor het nodige vertier zorgden, blijkt uit het volgende bericht dat in het Utrechts Nieuwsblad van 15 juni 1963 geplaatst werd:

JULIANAPARK

,Je hebt er zo aanspraak’

Papegaaien zijn (hoe kan het) soms brutaal

(Van een onzer verslaggeefsters)

ACHTER HET gewoel van de Amsterdamsestraatweg ligt een dorp in zakformaat. Een heel rustig dorp, waar toch veel te beleven valt. Het heeft een soort brink, waar de mensen op lange banken gezeten met elkaar praten. Er is een sociëteit waar je niets kunt drinken, maar waar des te meer wordt geconverseerd, bijvoorbeeld met de papegaaien. Dan is er nog een dameskrans, op de speelweide. Kinderen zijn ook toegelaten. En voor de dorstigen is er het plaatselijke café, dat hier „paviljoen” heet. Dit alles te samen heet Julianapark, dat vreemd genoeg bijna een stadsbreedte van het Wilhelminapark af ligt. Het is er gezellig en rustig.

De mensen die hier komen lijken stamgasten. Zij kennen elkaar, noemen de papegaaien bij naam en zeggen familiaar: „Dag Knor” tegen een inderdaad diep uit de buik knorrend vogelbeest. Er komen hier overwegend gepensioneerden, een enkelling die blijmoedig in de ziektewet loopt en — natuurlijk — de moeders, de baby’s en de kleuters. Voor iedereen is er een rustig plekje in de zon of de schaduw en er zijn stille banken, omringd door struikgewas, waar overdag de bejaarde mannen dammen. Wie hier vaker komt, weet dat zij hele competities spelen.

Papegaaien a

EEN SCHOMMELENDE papegaai is iets waar kinderen verrukt van worden.

Ernstig zitten zij op de bank. Het dambord in het midden en twee of drie mannen aan iedere kant er van. Oude gezichten, waarop de schaduwen nog dieper worden, nu het zonlicht er door de bladeren opvalt, zijn diep geconcentreerd gericht naar de stenen. Een hand waar de aderen als boomwortels op woekeren, pakt een steen, verschuift … Stilte, niemand zegt wat, er wordt alleen aan sigaren getrokken. De rook er van geurt naar opa’s die zondags op bezoek komen en die voor ieder kleinkind nog een dubbeltje hebben.

Verleidsters

Verderop scheurt een scherp gekrijs de lucht. Daar zijn de stokken waaraan een kleine ketting de papegaaien enige levensruimte gunt. Zij zitten er in hun kakelbonte veren, rood, gifgroen, oranje. Wilde kleuren die hier niet vloeken. Eén papegaai ziet er heel gedistingeerd uit. Wit zijn z’n rug en vleugels, geel zijn staart en zijn kuif. En zijn zwart, triest oog is verleidelijk lichtblauw omrand, alsof hij is geschminkt voor het toneel. Hij heet Jacob, een gekke, buitelende vogel die niets liever doet dan knopen van herencolbertjes eten.

Jacob kom eens op mijn arm, zeggen de stamgasten tegen hem en dat doet hij dan graag. Hij kijkt je eens aan, zet zijn kuif op, een vlugge beweging en weg knoop. In het zand. Jacob hapt vliegensvlug met zijn zwarte snavel en zijn rare grijze tong die als een bolletje kauwgom in zijn bek beweegt. Dan kan het voorkomen dat hij trots en uitdagend zegt: Jacob, Jacob, en soms een scheldwoord. Maar dat doen meer van de papegaaien die daar zitten.

Dat ondervindt een oudere dame, die minzaam tot een groen met rode papegaai spreekt: „Ben jij lief, ja hè jij bent lie-ief …” Als de vogel met een prachtig gearticuleerd scheldwoord antwoordt, is haar vertrouwen niet geschokt. Het zijn leuke beesten, weet u, maar zo duur. Tweehonderdvijftig gulden kost zo’n kleintje. Je hebt er zo’n aanspraak aan, vooral als je wat ouder wordt …

Ach ja, wat zijn er veel wonderen in een zo’n park. Vooral voor de kinderen. Zij voeren de herten brood, kijken verrukt naar heel kleine konijntjes, die net als hun ouderpaar al vlug kunnen hippen, de oren als een V-teken op de kop. Alleen de vissen worden niet aangehaald, die zwemmen doodrustig vlakbij het lawaai en toch ver er van af, in hun ondiepe vijver. Er waggelen eenden en flamingo’s lopen er statig als roze juffers, die zich ver verheven voelen boven het gewoel beneden.

Adembenemend is de pauw, het toppunt van mannelijke ijdelheid met tientallen groenviolette ogen die je op zijn lange staart om erkenning van hun schoonheid vragen. De herten staan maar melancholiek te doen. Die beestjes lijken altijd aan een soort Weltschmerz te lijden. Hoe is het nu gegaan? Heeft Juliette Gréco de herten nagedaan, of proberen de herten even vochtig triest als Gréco te kijken …

„Willem”

De moeders op de speelweide hebben hun bleke armen uit de wollen vestjes gehaald en hopen op bruin van de zon. De kinderen tuimelen in het gras en de oude mannen peinzen achter rookkringetjes. Op een houten gebouwtje met banken rondom staat een hart getekend met wit krijt. „Willem” staat er naast de doorborende pijl.

Aan de uitgang van het park staat een fotograaf met houten beesten waarop de kinderen kunnen poseren. Ook bruidsparen komen graag in het park voor een plaatje bij de papegaaien of onder romantisch ritselend lover …

Papegaaien b

DAMCOMPETITIE. Op een rustig schaduwrijk plekje in het park spelen de mannen menig spelletje.