Over slachtoffers van de Watersnoodramp

De Watersnoodramp van 1953 bracht heel Zuilen in beweging. Meer dan 235 vluchtelingen werden hier opgevangen. Er werden ook hulpacties georganiseerd. Daarover stond in het Utrechts Nieuwsblad van 14 februari 1953 het volgende:

Contactmiddag zeer geslaagd

Door het gemeentebestuur van Zuilen werd gisteren een contactmiddag gehouden met de in Zuilen verblijvende geëvacueerden, waarvoor het initiatief was uitgegaan van de directeur van Sociale Zaken, de heer A. Slotboom. De burgemeester wees er in zijn toespraak op, dat de bijzondere emotie van de ramp reeds enigszins is verwerkt, dat enkelen weer zijn teruggekeerd en dat het begin van herstel reeds is waar te nemen. Spr. deed vervolgens belangrijke mededelingen. Op de eerste plaats dat allen, die zich nog niet hebben laten inschrijven, dat ten spoedigste moeten laten doen, daar anders moeilijkheden ontstaan op velerlei gebied. Vervolgens, dat alle mannelijke personen in de gelegenheid worden gesteld, gratis en onder deskundige leiding de fabrieken van Demka en Werkspoor te bezichtigen. Verder, dat het in de bedoeling ligt van de Unie Vrouwelijke Vrijwilligers, eens per week een gezellige middag voor de geëvacueerden te organiseren, waarvan de eerste zal plaats hebben op Donderdag 19 Februari om 2 uur, in het Ontspanningslokaal van Werkspoor van Werkspoor. Spr. deelde mede, dat ook een vertegenwoordiger van het Ned. Bijbelgenootschap aanwezig was, bij wie zij zich kunnen vervoegen, wier Bijbel is verloren gegaan; zij zullen dan gratis in het bezit van een nieuwe worden gesteld. Ook werd er op gewezen dat predikanten van de Herv. en Geref. Kerk aanwezig zijn, met wie men in contact kan treden. Onder de geëvacueerden zijn slechts drie katholieken, met wie door de kath. geestelijkheid contact is opgenomen. Ook werd nog de aandacht gevestigd op de verkoop van zandzakjes.

Vervolgens werd een vertroostend woord gesproken door ds J. Voorsteegh, Ned. Herv. predikant, door ds W. Schouten, Geref. predikant en door ds Luteijn, die allen verklaarden, dat hun deuren steeds wijd open staan om hen te ontvangen, en hen zo nodig hulp en bijstand te verlenen. De heer Boersma deelde mede, dat in het Wijkgebouw van de Oranjekerk op Dinsdag a.s. te drie uur een bijeenkomst zal worden gehouden, waar allen van harte welkom zijn. De heer A. Slotboom vestigde er tenslotte de aandacht op, dat het in de bedoeling ligt van het Gew. Arbeidsbureau te Utrecht een cursus te organiseren over dijktechniek. Deze cursus zal aanvangen a.s. Maandag te twee uur in het gemeentehuis te Zuilen.

Tussen al deze besprekingen en mededelingen door werd thee, limonade en een rokertje aangeboden, terwijl er volop gelegenheid was tot persoonlijk contact. Een geslaagde bijeenkomst.

 

Ontspanningsgebouw

Geen foto van de bijeenkomst, wel van het Ontspanningsgebouw (bestaat nog steeds) waar de bijeenkomst heeft plaatsgevonden. Het gebouw werd gebouwd door Werkspoor. De kelder had een bomvrije en gasdichte ruimte. Het werd geopend in januari 1940.

Botsing in de Hubert Duyfhuysstraat

Dat lees je wel vanker: een botsing hier of daar. Maar in de Hubert Duyfhuysstraat zeker niet dagelijks. In het Utrechts Nieuwsblad van 13 februari 1962 lezen we er wél over:

Hubert Duyfhuysstraat

OM 11.50 uur had vanmorgen een botsing plaats in de Hubert Duyfhuysstraat in Zuilen, waarbij drie auto’s betrokken waren. Er deden zich geen persoonlijke ongelukken voor.

De 22-jarige smid O.J. van D. uit IJsselstein reed in deze straat toen hij de 23-jarige loodgieter G.G. van D. te Utrecht, rijdende in de Johan Uitenbogaertstraat, geen voorrang verleende. Met gevolg dat G.G. van D. de achterbumper van de smid raakte. De 22-jarige smid verloor hierdoor de macht over het stuur en slingerde tegen een in de Duyfhuysstraat nummer 22 geparkeerd staande auto (rechts).

De heer O.J. van D. sloeg met de auto over de kop. (links de auto van de heer O.J. van D.).

Gemeente-ontvanger van Zuilen: J.C. Plomp

 

Plomp, over het jubileum van deze (zeer gewaardeerde) Zuilense gemeente-ontvanger schreef de redactie van het Utrechts Nieuwsblad op 10 februari 1938 het volgende…

Gemeente-ontvanger van Zuilen jubileert

De heer J.C. Plomp, een man met groote plichtsbetrachting en hulpvaardigheid, is heden twintig jaar gemeente-ontvanger van Zuilen

ZUILEN, 10 Febr. — Heden is het twintig jaar geleden, dat de heer J.C. Plomp werd benoemd tot gemeente-ontvanger van Zuilen Deze benoeming geschiedde onder het burgermeesterschap van F.C.C. baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen.

De naam Plomp is sinds jaren en jaren zeer nauw aan de gemeente Zuilen verbonden. De grootvader van den heer J.C. Plomp, dus van den tegenwoordigen gemeente-ontvanger, was reeds burgemeester van Zuilen en wellicht hebben ook diens ouders reeds een leidende rol in de gemeente vervuld. Het eigenaardige is echter, dat de vader van den heer J.C. Plomp jarenlang wethouder is geweest in de gemeente… Maarssen.

Oorspronkelijk hadden de ouders van den gemeente-ontvanger een steenfabriek waar nu de borstelfabriek van de firma Jonker is gevestigd. Als zoovele anderen kon, speciaal door het opraken van de benoodigde klei, het bedrijf niet meer loonend worden gemaakt, en vestigde men zich te Maarssen, waar al spoedig beslag op de werkkracht van den vader van den heer J.C. Plomp werd gelegd door zijn benoeming tot wethouder. Doch in den tijd dat men zich te Maarssen bevond, vervulde een oom, den heer D.M. Plomp weer een belangrijke rol in Zuilen Deze was wethouder en zóó buitengewoon waardeerde men zijn getoonde werkkracht, dat toen eenige jaren geleden een nieuwe brug over de Vecht in oud-Zuilen gereed was gekomen, men deze den naam van D.M. Plompbrug gaf. Jaren en jaren is dus de naam Plomp aan de gemeente Zuilen verbonden geweest.

De thans vòòr 20 jaren benoemde gemeente-ontvanger was aanvankelijk verbonden aan het bedrijf van zijn ouders. Hij bezocht de Handelsschool en werd 10 Februari 1918 in zijn tegenwoordige functie benoemd. In die dagen was Zuilen nog een kleine gemeente van ongeveer 3000 inwoners, waaronder hoogstens 500 belastingplichtigen. Daarna kwamen er jaren waarin de bevolking met sprongen omhoog ging, vooral door de vestiging der industrieën en den bouw van een groot aantal woningen. Thans heeft het inwonerstal reeds de 17500 overschreden. Deze snelle ontwikkeling heeft de heer J.C. Plomp geheel meegemaakt en het heeft veel van zijn arbeidslust en arbeidskracht gevraagd.

Met zijn kantoor heeft hij een ware zwerftocht door de gemeente gemaakt.

Aanvankelijk was zijn bureau gevestigd in het gemeentehuis, daarna in zijn woning, vervolgens in het gebouw van de Woningbouw, daarna in het oude politie-posthuis, dat eenige jaren geleden verdween, vervolgens nog in een ander oud politiebureau en thans is het ondergebracht in een perceel aan de De Muinck Keizerkade.

De heer J.C. Plomp is een man van zeldzame eenvoud, van groote plichtsbetrachting, maar van nog grootere hulpvaardigheid. In een gemeente als Zuilen, goeddeels bestaande uit arbeiders, bovendien zwaar getroffen door de werkloosheid, wordt buitengewoon veel tact en overleg gevraagd om te zorgen dat de belasting geïnd wordt.

En zonder dwangmaatregelen weet hij bijna altijd de zaak in het reine te brengen. Hij vraagt niet of zijn administratieve arbeid daardoor enorm verzwaard wordt, of hij daarvoor een goed deel van zijn vrije tijd moet opofferen, neen, zijn streven is alleen, om allen zooveel mogelijk tegemoet te komen, zooveel mogelijk ter wille te zijn.

De Zuilensche gemeente-ontvanger is dan ook een zeer geziene en zeer gewaardeerde persoonlijkheid in deze gemeente, en velen zullen zeker met ons den wensch uiten, dat hij nog tal van jaren zijn functie zal mogen waarnemen.

J.C. Plomp

J.C. Plomp, 20 jaar gemeente-ontvanger van Zuilen.

 

 

Over een almaar groeiend Zuilen…

Vooral in de eerste helft van de vorige eeuw groeide Zuilen razendsnel. De Pedagogenbuurt in Zuilen werd gemeld in het Utrechts Nieuwsblad van 7 februari 1955

 

…De vier woongebouwen, in aanbouw tussen de J.H. Schaperstraat en de Minister Talmastraat, naderen hun voltooiing en in het voorjaar zullen in deze omgeving nog meer huizenblokken in bouw komen. Derhalve is de aanleg van straten ook in dit gebied urgent.

Het ten Noord-Westen van de Prof. H. Bavinckstraat gelegen gedeelte van de Min. Talmastraat zal volgens het plan worden verbreed tot 8 m, zulks ten behoeve van het verkeer naar en van het complex sportterreinen aan het einde van deze straat.

Ook de aan te leggen straat, welke de Noord-Westelijke begrenzing van het stratencomplex van Nieuw Zuilen zal vormen en welke de Amsterdamsestraatweg met de Burg. Norbruislaan zal verbinden, is op een breedte van 8 m. geprojecteerd.

Voor de uitvoering van deze werken vragen B. en W. de raad een crediet te willen verlenen van f 1.015.100.-.

Pedagogenbuurt

Van Concordia polisnummer 1 …

In het Utrechts Nieuwsblad  van 6 februari 1957 stond de rubriek ‘Wij spraken met’. Daarin het verhaal over ‘polisnummer 1’ van een inwoner van de Hermannus Elconiusstraat.

N.P. de Jager (tachtig jaar)

Wij hebben bepaald niet voor de eerste keer met iemand gesproken, die de leeftijd der zeer sterken haalt. Wel hebben we zelden een tachtigjarige geïnterviewd, die beschikte over een zo formidabel geheugen als de heer N.P. de Jager, die geboren 7 februari 1877 te Grave (u weet wel van de radio: Grave beneden de sluis) morgen de eerbiedwaardige leeftijd van 80 jaar bereikt. De heer N.P. de Jager, wonende Hermannus Elconiusstraat 35 in Utrecht-noord, is een bekende figuur in de Utrechtse gemeenschap en met name in de wereld der typografie.

De tachtigjarige heer De Jager gaat er echt voor zitten, als we bij hem binnen vallen. Hij steekt er een verse Havanna bij op en gaat oreren… alsof hij nog de grote vakbondsbestuurder is van weleer. Af en toe kijkt hij even peinzend naar zijn zoon, die naast hem zit, de heer S.A. de Jager, (de directeur van Utrechts oudste drukkerij v.h. Kemink en zoon n.v. drukkerij en uitgeversmaatschappij op het Domplein) niet om hem over dit of dat te raadplegen, want hij weet zijn weetje nog best, maar bij wijze van controle, zo van: wat heb ik dat goed onthouden, hè?

Nicolaas Petrus de Jager dus, is in Grave geboren en hij ging zoals hij het kenmerkend noemt „bij de fraters op school” Tot zijn twaalfde jaar; toen brak er een gewichtig moment aan. Zijn vader werd nl. geadviseerd Klaas onderwijzer te laten worden. Maar dat zat er echt niet aan en het werd derhalve… zo gauw mogelijk een baantje zoeken. De drukkerij Penders in Grave („ik kreeg er meer schoppen dan loon”) was de eerste zaak die de jonge De Jager begroette, zij het voor korte tijd, want vader De Jager, die sergeant-kleermaker was, werd overgeplaatst naar Amersfoort en Klaas ging mee over. Als leerling-zetter kwam hij op de drukkerij Mechielsen. Het was niet, dat de jonge De Jager geen goede diensten bewees, maar ja, zo merkt hij thans glimlachend op (let wel: het is zo’n kleine zeventig jaar geleden en hij haalt de historie op, als of het gisteren gebeurde!), we maakten als jongens een lolletje op de zetterij en ik wilde geen verrader zijn en, zo ging dat in vroeger jaren… op staande voet de laan uit. In het nachtelijk uur liep de Jager met een vriend, die ook een balorige bui had, naar Amsterdam en het toeval wilde, dat zij bij de eerste de beste drukkerij meteen aan het werk togen. Zó was het ook vroeger! Dat was bij v. Zeggelen aan de Achterzijds Voorburgwal. Daar ging het met De Jager prima, want in plaats van het gebruikelijke uurloon van 19 cent kreeg hij, vooral omdat hij „vormen kon inslaan” 21 cent. En misschien zou hij er tot op hoge leeftijd zijn gebleven als niet ook hier de militaire spaak in het wiel werd gestoken. De Jager werd dus soldaat en wel in Amersfoort  Zijn vroegere baas had hem beloofd tien gulden te zullen geven (dat was me een bedrag in de vorige eeuw!) als hij korporaal werd en nog een tientje als hij de sergeante strepen kreeg, maar toen de militair De Jager zich ontdeed van ’s konings wapenrok… had Mechielsen net geen werk voor hem. Eventjes zat Klaas in de perikelen. Wat zou hij gaan doen? Zijn meisje was in betrekking bij de stationschef in Amersfoort en die kon hem misschien aan een baantje helpen, en in Baarn vroegen ze iemand bij de politie. Noch voor het een (wat zou ik daar bij de N.S. geworden zijn, misschien hulpknecht, verzucht hij nu nog) noch voor Baarn (jongen, ik zal je zeggen, bij de Baarnse politie was het in die jaren maar een gevaarlijke betrekking en hij lacht er nu nog om ) voelde hij iets. De reuk van het lood van een echte zetterij was hem in de neusgaten blijven hangen en dat trok hem. Gelukkig was er bij Mechielsen weer een beetje lucht gekomen en De Jager klom in snel tempo op van zetter via meesterknecht tot algemeen chef.

Hier onderbreken we de genoeglijke verteller om hem ons compliment te maken voor zijn fantastische geheugen. Wat denkt u, repliceert onze pientere gastheer (een beetje gepikeerd bijna om deze opmerking): je denkt toch niet dat ik een soort aderverkalking in mijn hoofd heb.

We vatten de interessante draad weer op.

Bij Mechielsen kwam een nieuwe baas (patroon zegt de heer De Jager) en zo brak de periode aan van de r.k. Eembode. De Jager, als eenvoudige werkman, ging weg bij Mechielsen, kreeg van nieuwe opdrachtgevers de taak bij Tetterode nieuwe letterkasten te kopen (voor die Eembode) en een begroting te maken. Hij zette in dat jaar de eerste, en voor later zo belangrijke stap op het moeilijke pad der politiek. In 1900 — drie en twintig jaar dus — werd hij lid van de werkliedenvereniging Sint Joseph (geïnstalleerd op 5 februari, de heer De Jager weet de datum nog goed) en iets later kwam hij in contact met de heren Grundmeyer en Brouwer, grote figuren uit de toenmalige vakbeweging. Hij werd daarenboven de mede-oprichter van de coöperatieve levensverzekerings-maatschappü Concordia. Niet zonder trots vertelt de tachtigjarige ons, dat op zijn polis nummer 1 prijkt. En zo is hij èn de bekwame vakman èn hij wordt de vakbondsbestuurder. Van de Eembode gaat hij met zijn gezin (want ondertussen is hij getrouwd met datzelfde meisje uit Amersfoort) naar Den Bosch, bij Neerlandia. Als voorman-opmaker blijft hij daar zeven jaar en hier voegen we een aardige anekdote in.

Want als de krant (een dagblad) de hele week op tijd draaide, zou De Jager een gulden extra krijgen. Dat was wat in die tijd, een gulden, per week. Alleen… het uitbetalen gebeurde niet veel. Na die 7 jaar verhuisde het gezin De Jager naar de Maasstad, naar Het Dagblad van Rotterdam. En toevallig werden het weer zeven jaar (als meesterknecht) in Neerlands grote havenstad.

Tot bij de drukkerij Teulings in Den Bosch de voor die tijd aantrekkelijke functie van sociale voorman vrij kwam. Daar werd o.m. de oude Volkskrant gedrukt en de heer De Jager bleef er tot 1939. Hij verzorgde er tal van toen bekende periodieken. Als sterk sociaal voelend bestuurder keerde hij — toen men aan zijn loon ging knabbelen — de zaak die hij zovele jaren had gediend, de rug toe en hij ging naar Utrecht.

Bij zijn zoon op het Utrechtse Domplein werd de bejaarde heer De Jager met open armen ontvangen. Welk een prachtige diensten heeft hij de drukkerij daar bewezen! Zijn vakmanschap, zijn rechtschapenheid zijn werkkracht niet te vergeten, het waren evenzovele winstpunten binnen de muren van Utrechts oudste drukkerij.

Hoe wist die schrandere De Jager in de Duitse tijd — zijn zoon was ondergedoken — de indringers te misleiden. Dat is een roman op zichzelf.

Er komt (in 1950) nog een gloriepunt in zijn arbeidzaam leven. Hij wordt door de K.A.B. (met grote luister) gedecoreerd met het gouden Kruis van Verdienste. Het insigne siert elke dag weer zijn colbertjasje.

Zoon De Jager (broer van die andere De Jager, die in België een der leidende figuren is in de drukkerijwereld) pensioneert met volle vreugde zijn unieke vader.

En — zo vragen we aan het eind van de visite — Wat nu?

De 80-jarige heer De Jager antwoordt nog altijd met besliste stem; een beetje lezen, een beetje wandelen, een heleboel plezier met mijn kippetjes en de radio, al kan ik het allemaal niet zo héél best meer volgen.

 

N.P. de Jager

De heer N.P. de Jager

… Van Concordia polisnummer 1…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Julianapark mooier, met dank aan de werklooze jongens in Zuilen

Over de uitbreiding van het Julianapark – waarvoor op grote schaal ‘werklooze jongens’ werden ingezet, lezen we in het Utrechts Nieuwsblad 5 van februari 1935:

Werklooze jongens aan den arbeid

Uitbreiding Julianapark

Er ontstaat een prachtige tuin, tot de mooiste van het land behoorend.

ARBEID VAN MOREELE EN OPVOEDENDE WAARDE.

Er wordt een mooi werk verricht, daar ginds, onder Zuilen bij het Julianapark, dat thans een uitbreiding gaat verkrijgen met het perceel grond, dat geklemd ligt tusschen den weg naar Werkspoor, den straatweg en het reeds bestaande park.

M o o i  w e r k.  Niet alleen omdat er gearbeid wordt aan de uitbreiding dan het zoo fraaie Julianapark, dat nu nog mooier en grooter zal worden, maar ook omdat er hier belangrijk sociaal en paedagogisch werk wordt verricht. De parkaanleg geschiedt immers in werkverschaffing voor jeugdige werkloozen. Jongelui, die anders misschien in het geheel niet aan den slag zouden kunnen komen, krijgen hier de gelegenheid de handen uit de mouwen te steken en hun lichaam, dat naar daden dorst, te ontspannen in stoeren arbeid. De moreele beteekenis daarvan onderschatte men niet. Denkt men zich wel een in, wat het beteekent voor een jongen man, die tot volwassene rijpt, zijn dagen in nutteloos slenteren te verdoen? Beseft men wel voldoende, dat het juist die lediggang is, die de jongens op de verkeerde paden brengt. Wij bedoelen niet, dat ze door nietsdoen het pad opgaan, dat hen naar de gevangenispoort zal voeren, maar hun jonge lichaam gaat zich richten naar het sloome nietsdoen, went hen niet aan werken, maakt hen derhalve minder geschikte voor den strijd om het bestaan, die ook zij te strijden zullen krijgen. Daarom is de gelegenheid om althans een deel der jongeren aan het werk te wennen, niet minder als een zegen te beschouwen.

Mooie arbeid.

En juist het werk, dat hier onderhanden genomen is, is voor dit doel zoo uitmuntend geschikt. Het gaat hier niet om arbeid, die tóch verricht zou moeten worden. Het betreft hier een werk van moreele, meer dan van materieele waarde. In dezen tijd is parkaanleg iets moois en iets nuttigs, maar het is niet noodzakelijk. Utrecht zou materieel volkomen even weerbaar zijn zonder grooter Julianapark. Maar het wordt nu aangelegd ter wille van het jonge geslacht, ter wille van een economisch weerbaar houden en maken van de jongelui. Dat er daarbij een ideale winst te boeken is in den vorm van een fraai park, mag tot verheugenis stemmen. Maar wat nog verheugender is, is, dat in dat vergroote park de jongelui zich zelf een monument scheppen, dat hun nog lange jaren tot groote vreugde zal blijven.

Zeiden wij dus teveel, toen wij schreven, dat er daar aan den Amsterdamschen Straatweg mooi werk wordt verricht? Wij  w i s t e n  dat alles al, vóór wij ons vanmorgen naar het Julianapark begaven om het werk, dat hier verricht wordt, eens in oogenschouw te nemen; toen wij een uurtje op het terrein geweest waren, waren wij in die meening nog versterkt. Het is echter niet alleen een mooi werk dat hier verricht wordt, het is ook een zeer groot werk. Ofschoon het heel moeilijk is den tijdsduur met eenige nauwkeurigheid te schatten, omdat het hier gaat om werk, dat door ongeschoolden verricht wordt, kan toch wel aangenomen worden, dat het geheele werk een klein jaar zal vorderen.

Hoe het wordt.

Parkaanleg eischt heel wat meer arbeid dan zoo oppervlakkig gedacht wordt. Het is volstrekt niet alleen graven van kuilen om daarin planten te zetten. De uitbreiding van het Julianapark krijgt immers een speelweide van 11000 m2. oppervlakte. Die speelweide krijgt een waterleiding om haar te kunnen besproeien bij droog weer en een drainagestelsel om te zorgen, dat de grasmat nimmer onder water zal staan. Men zal willen begrijpen, dat dit waterleiding- en drainagestelsel heel wat arbeid en geld kost, van welken arbeid en welke kosten men eigenlijk nimmer direct iets zien zal. En tóch zal dit alles daadwerkelijk bijdragen aan de schepping van een park, dat het ideaal nadert.

Deze arbeid vergt tevens omvangrijk voorbereidend werk. De drainagebuizen moeten zeer ondiep liggen en een zeer flauwe helling hebben, opdat het water gemakkelijk afvloeie. Daarom moet het terrein geëgaliseerd worden, wat omvangrijk waterpassen eischt.

Dit waterpaswerk is nu achter den rug, evenals het leggen van de waterleiding. De drainage volgt nu. Daarna moet de grond de noodige bewerking ondergaan, opdat hij geschikt worde voor parkaanleg, want de zeer dichte en dikke kleilaag is daarvoor minder geëigend. En tenslotte moet er dan nog gemest worden. Daarna eerst kan met de beplanting begonnen worden., die zich moet aansluiten aan de bestaande, zoodat er een harmonisch geheel met het oude deel van het park kan ontstaan. Het nieuwe deel krijgt dan ook geen zware bebossching maar heesterbeplanting. De begroeiing blijft laag, zoodat de hoogere bestaande boomen den achtergrond zullen vormen. Dicht aan den Amsterdamschen Straatweg komt een rozenpark, dat harmonisch wordt opgenomen in het geheel. Aan de stadszijde van de speelweide zal een theehuis verrijzen met groot terras en verder naar de eisschen ingericht, terwijl de muziektent wordt verplaatst naar den anderen kant der speelweide.

Het hertenkamp.

Het hertenkamp ondergaat eenige uitbreiding, waardoor het een nog wat meer onregelmatigen vorm verkrijgt en daardoor een slingerende weg er omheen, terwijl er voorts een rustig vogelboschje wordt aangelegd, waarin de schuwe vogels rustig en ongestoord zullen kunnen nestelen. Door dit alles belooft het Julianapark met zijn fraaie dierenverzameling niet alleen het mooiste park van Utrecht, maar een der aantrekkelijksten van het geheele land te worden.

Dit alles zal door jongelui tot stand gebracht worden. Reeds zijn er onder leiding van en heer P.G.  v a n  N i e u w k e r k, opzichter 1e klasse van Gemeentewerken, een twintigtal jongens aan het werk. Geleidelijk zal dit aantal worden opgevoerd tot een 45-tal. Voor het grondwerk kunnen geheel ongeschoolden gebruikt worden, bij den bouw van het theehuis zullen jongens aangewezen worden, die eenige bekwaamheid bezitten, derhalve het gereedschap kunnen hanteeren. Want de tewerkstelling geschiedt steeds voor 8 weken en het is practisch niet mogelijk om jongelui binnen dien tijd eenige timmervaardigheid bij te brengen. De beplanting zal geschieden onder leiding van den plantsoendienst, terwijl bij het grondwerk bijv. nog gebruik wordt gemaakt van de assistentie van een volleerd grondwerker, die den jongens tot lichtend voorbeeld dient.

Werkloozen

 

Zo komt een straat aan zijn naam: de Prinses Beatrixlaan

Over het ‘ontstaan’ van de Prinses Beatrixlaan in Zuilen lezen we in het Utrechts Nieuwsblad 4 februari 1938. (Overigens, ‘ontstaan’ is wat zwaar aangezet: de Hovenierslaan is voortgekomen uit een ‘pad’ dat de gebruikers van het industrieterrein aan de Fortlaan min of meer zelf creëerden. Zij konden via dit pad sneller naar de Daalseweg richting Utrecht…)

‘PRINSES BEATRIXLAAN TE ZUILEN

ZUILEN, 4 Febr. – B. en W. hebben besloten den naam Hovenierslaan te veranderen in Prinses Beatrixlaan. Verder heeft men aan de laan, lopende langs het Julianapark en het voormalige Herculesveld, den naam gegeven van Julianaparklaan.

Reeds eerder is besloten den geprojecteerden weg in het verlengde van de Burgemeester van Tuyllkade te noemen: Prins Bernhardkade.’

Het voortvarende gemeentebestuur van Zuilen was er als de kippen bij om een straat in haar gemeente te noemen naar het pasgeboren prinsesje. Tegelijkertijd werd besloten het koningshuis ook op andere plekken in Zuilen te eren met een laan: langs het ‘Juliana’park en, (geef maar toe, in plaats van ‘Verlengde Burgemeester van Tuyllkade’, dat kan beter) de ‘Prins Bernhardlaan’ werd een prima oplossing.

Prinses Beatrixlaan

De Prinses Beatrixlaan werd in Zuilen geroemd om zijn prachtige bomen, die met hun rose bloesem in het voorjaar in de herinnering van menig bewoner (of bezoeker) is blijven hangen.

Het Herinneringsmonument in Zuilen

Na de annexatie schonk Utrecht de bewoners van het toen voormalige Zuilen een herinneringsmonument: de Doodskist… We lezen hierover in het Utrechts Nieuwsblad 29 van januari 1954:

Utrechts Raad bijeen tot ver na middernacht

Utrecht krijgt boilers en gasgeysers in huurkoop

Zes-urenlang debat ging hieraan vooraf

Het monument in ex-Zuilen

De afgevaardigde van de Gemeenschapsraad de heer H.C.  d e  W i t heeft gisternamiddag in de Utrechtse Raad zijn dank betuigd voor de houding van Utrecht, en met name van zijn burgemeester, om de Gemeenschapsraad alle recht te doen wedervaren. Spr. zag in de Gemeenschapsraad een goed middel om de democratie te dienen.

Betrekkelijk lange tijd heeft de raad zich hierop bezig gehouden met het door Utrecht aan het voormalige Zuilen te schenken herinneringsmonument. Met uitzondering van de heer  K a s b e r g e n  stelde een ieder dit gebaar op hoge prijs. Het lid van de Gem.R. verzocht alleen het monument te plaatsen òfwel bij het Vliegermonument òfwel bij het Verzetsmonument. In ieder geval niet in het Julianapark.

De heren  L e e u w e n b e r g  (K.V.P.) en  S t e k e l e n b u r g  (Arb.) verzochten B. en W. de plaats van het nieuwe monument nog eens nader te bezien, in overleg met de G.M.R.

Alleen de heer  K a s b e r g e n  (C.P.N.) meende, dat “in Zuilen niemand prijs stelde op zo’n bank”.

Spr. vond het maar een onpiëteitsvol gebaar. Geef voor dat geld liever een woning, zo riep hij uit.

De  V o o r z i t t e r  betreurde de houding van de communist. Utrecht heeft Zuilen niet “weggewerkt”, dat deed het Parlement. En in dat Parlement hebben juist van het begin af aan de communisten vóór annexatie bij Utrecht gestemd. Daarom is de stem van de heer Kasbergen nu op z’n minst wel merkwaardig.

Weth.  D e r k s  (K.V.P.) zegde toe, uit te zien naar een andere plaats voor het monument…

De doodskist

Uiteindelijk komt het monument tegenover het Verzetsmonument en krijgt ter verfraaiing ook een fontijn (al snel te vervuild en verwerkt tot plantenbak) en bankjes, waarop de inwoners nog eens kunnen mijmeren over hoe het vroeger in Zuilen was. De zwarte tegels en de vorm dragen ertoe bij dat het monument al snel ‘De Doodskist’ heet. 

De tekst op het monument werd:

ALS GEMEENTE OPGEHEVEN, ALS GEMEENSCHAP GEBLEVEN.

Dat week ‘iets’ af van de tekst op het herinneringstgeltje:

ALS GEMEENTE OPGEHEVEN, ALS GEMEENSCHAP TOCH GEBLEVEN.

Tegeltje Zuilen

Het woordje ‘toch’ ging de gemeente Utrecht te ver. Bij de reconstructie van het Prins Bernhardplein, in 2011 werd met medewerking van de gemeente Utrecht de ‘fout’ hersteld.

Over de opening van de St.-Jacobusschool in Zuilen.

Een gevolg van de naoorlogse babyboom is dat veel schoolruimte bijgebouwd wordt. Zo ook de St.-Jacobusschool. Hierover lezen we in het Utrechts Nieuwsblad van 28 januari 1955:

EEN GLAZEN PALEIS…

“De toekomst straalt voor ons”

St.-Jacobusschool officieel overgedragen en plechtig ingewijd

(van een onzer verslaggevers)

Als een pronkstuk van moderne architectuur en als een paleis van glas en licht staat de thans nagenoeg geheel afgewerkte Katholieke Lagere School “St.-Jacobus” aan de C. van Maasdijkstraat in de voormalige gemeente Zuilen naast haar tweelingzuster, de Gemeentelijke Christelijke Lagere School. In het hoger opgetrokken gebouw zullen Maandag a.s. zes klassen kinderen onder leiding van jonge onderwijzers en onderwijzeressen binnenkomen en zo de nieuwe mijlpaal bezetten van de toekomstige St.-Jacobusparochie, die haar kerkgebouw reeds langzaam achter het schoolgebouw ziet verrijzen. Dit gebouw bevat zes moderne lokalen. Ieder lokaal is ingericht volgens de nieuwste eisen van de tijd en de kleurencombinaties van gordijnen en wanden zijn, artistiek en psychologisch, volkomen verantwoord gekozen.

Vanmorgen is deze school door de heer A. v. Dam, de chef van de afdeling Onderwijs ten stadhuize, namens de gemeente Utrecht officieel aan de voorzitter van het schoolbestuur, bouwpastoor A. van Beckum, overgedragen. Wethouder H. v.d. Vlist was door een collegevergadering verhinderd. Namens het gemeentebestuur prees de heer van Dam het doeltreffend en kunstzinnig werk van de architect van Hoorn; het voormalig gemeentebestuur van Zuilen, dat het initiatief om tot de bouw te komen indertijd genomen heeft en de bouwpastoor en alle andere medewerkers. Hij sprak het vertrouwen uit, dat wanneer de kinderen van deze school zullen komen, zij opgevoed zullen zijn tot sociaal voelende, kleine mensen en tot toekomstige trouwe burgers.

Nadat de heer van Dam de officiële overdracht beëindigd had, wijdde de deken van Utrecht, Mgr. A. Wiegerink de school plechtig in. “In deze parochie is een school gekomen, voordat de kerk er was”, zei mgr. A Wiegerink in zijn toespraak na de inwijding. “Hierdoor mogen blijken, van welke importantie het Katholiek onderwijs is”.

Tevoren had pastoor A. v. Beckum reeds de talrijke genodigden welkom geheten. In het bijzonder richtte hij zich tot mgr. Wiegerink; pastoor W. van Albach, de inspecteur van het L.O., de heer A. Lens; de oud-burgemeester van het voormalige Zuilen, de heer O. Norbruis; besturen van verschillende Utrechtse scholen etc. etc.

Velen van hen namen de gelegenheid te baat, een felicitatie aan het adres van het St.-Jacobus-schoolbestuur te richten. Pastoor W. van Albach sprak namens zijn Kerk- en Schoolbestuur; de inspecteur bij het L. O. sprak de hoop uit, dat de scholieren die dit schoolgebouw zullen bevolken, de gelegenheid zullen krijgen hun creatieve inspiraties naar hartenlust en onder goede leiding te kunnen volgen.

Ds. J. Voorsteegh sprak namens het Christelijk Nationaal Onderwijs, de heer Hoeflaken voor de Ned, Herv. Scholen en tenslotte betuigde het hoofd van de school, de heer J. Dekker, zijn dank voor alle blijken van belangstelling. “Het verleden leeft in ons,” aldus deze laatste spreker, “omdat wij het goede van dat verleden willen bewaren. Het heden hoopt op ons, omdat de jeugd op ons moet kunnen rekenen, en de toekomst straalt voor ons omdat de zes leerkrachten van deze nieuwe school allen met hetzelfde idealisme bezield zijn”. Spr. richtte een bijzonder waarderend woord tot de Zuilense Aquariumvereniging, die gratis twee prachtige aquaria zullen inrichten en in de toekomst belangeloos zullen verzorgen.

Inwijding St.-Jacobusschool

Fotobijschrift: Deken Wiegerink zegent de lokalen van de nieuwe St.-Jacobusschool in

Over ellende in het Schaakwijk…

Ingezonden mededeling uit het Utrechts Nieuwsblad 27 van januari 1960. Een bewoner van Het Schaakwijk ergert zich…

Brood bij schillen

Mijnheer de Redacteur,

Het is bewoners van de Koningstraat te Utrecht een ergernis dat er de laatste weken een grote hoeveelheid brood op het achter onze huizen gelegen terrein wordt geworpen voor de vogels.

Is het nodig dat er met handen vol zoveel wordt weggegooid dat de vogels het nooit allemaal oppikken? Als er maar een restje eten op de vuilnisbak wordt opgemerkt, wordt deze asbak niet geleegd onder opmerking dat het eten bij de schillen moet liggen. Zeer terecht. Maar laten we dan ook het overtollige brood niet naar buiten gooien in de modder, maar bij de schillen.

Koningstraat